Mijn tijd ...
‘In mijn tijd was dat wel anders!’ of ‘dat hoef ik niet te weten, het was vóór mijn tijd’. Deze uitspraken hoor je vaak, maar wat is dat eigenlijk ‘mijn tijd’? Als een gebeurtenis heeft plaatsgevonden voordat ik geboren ben, was het dan vóór ‘mijn tijd’ en hoef ik het daarom dus niet te weten? Deelnemers aan een quiz vinden vaak van wel. En geschiedenis dan? En als grootvader het heeft over ‘mijn tijd’, een periode waarin - vindt hij - ouderen op een voetstuk stonden en nog met ‘u’ werden aangesproken bijvoorbeeld? Bedoelt hij dan dat vroeger alles beter was? Of heeft hij het over de sobere, schrale naoorlogse periode?
Alsof wij ons een bepaalde periode kunnen toe-eigenen. Alsof die begint toen wij geboren werden of – terugkijkend - toen we jong waren. We zeggen ook: ‘Ik heb mijn tijd gehad’, zeker als we met pensioen zijn of als we vinden dat we ergens te oud voor zijn geworden. ‘Onze tijd is voorbij’. Of – verwachtingsvol - ‘mijn tijd moet nog komen’. Raar eigenlijk, want we leven allemaal in deze tijd, of we nu 2 of 102 zijn. Wie we ook zijn en wat we ook doen en in die zin is deze tijd van ons allemaal, niemand uitgezonderd.
Met pensioen zijn, je tijd gehad hebben klinkt alsof we zijn aangekomen in een soort restperiode, waarin we niet volwaardig meer meedoen, niet gewoon meer mee hoeven doen, maar in de luwte. Klopt dat wel? Vinden we dat zelf? Hoort het bij deze levensfase – als kind wordt je voorbereid op later en later ga je afbouwen – of laten we ons dat aanpraten? Natuurlijk stelt elke levensfase andere eisen, maar deze tijd is ook van ons, wat anderen en wijzelf daar misschien ook van vinden. En dat schept verplichtingen. Denk ik.
Cursiefje 18
- Details
- Hits: 12

